Hoe walvissen helpen om CO2 uit de atmosfeer te halen
Volgens het KNMI kunnen walvissen veel CO2 uit de atmosfeer halen. Een potvis zou net zoveel CO2 kunnen opnemen als 3000 bomen.
Walvissen spelen een belangrijke rol in de natuurlijke koolstofcyclus. Ze verzamelen hun voedsel diep in de zee, maar poepen die vlakbij de oppervlakte weer uit. Deze poep stimuleert - samen met zonlicht en CO2 - de groei van fytoplankton. En net als bomen neemt plankton CO2 op.
Omdat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer in evenwicht staat met het CO2-gehalte in de zee, zorgt een daling in de hoeveelheid CO2 in de zee ervoor dat ook in de lucht het CO2-gehalte afneemt. Bomen slaan CO2 op, maar deze CO2 kan bij verbranding weer vrijkomen in de atmosfeer. Plankton sterft af, of wordt opgegeten, en komt uiteindelijk in de diepzee terecht - en niet terug in de atmosfeer. Dat zorgt voor een extra CO2-afname.
Beter dan bomen
Een populatie van 12.000 potvissen in de Zuidelijke Oceaan voert elk jaar 200.000 ton koolstof af naar de diepzee - dat is 17 ton koolstof per potvis, per jaar. Een boom neemt elk jaar gemiddeld maar zo'n 5 kilo koolstof op. Één potvis neemt dus net zoveel koolstof op als 3000 bomen.
De walvissenpopulatie is drastisch afgenomen. Voor de walvisvaart waren er meer dan een miljoen potvissen, nu zijn het er nog maar een paar honderdduizend. Zorgen dat het aantal walvissen wereldwijd toeneemt is niet alleen goed voor de biodiversiteit, maar kan dus ook helpen bij het oplossen van het CO2-probleem.